De machine in de mens: hoe we weglopen voor ons eigen mens-zijn
Het grootste gevaar is niet dat machines steeds mensachtiger worden en ons uiteindelijk uitroeien, maar precies andersom: dat wij opschuiven naar de machine en onze menselijkheid uitwissen. Niet omdat ons dat wordt aangedaan door grote boze techbedrijven, maar omdat we dat zelf willen.
Onze relatie met AI wordt steeds intiemer. Wereldwijd gebruiken miljoenen mensen AI als vriend, partner, permanente vraagbaak of therapeut. Een belangrijke drijfveer achter die relatie is de aanname dat mensen en robots niet zoveel van elkaar verschillen. Of dat de verschillen die er wel zijn, er uiteindelijk niet zoveel toe doen. Die aanname komt naar voren in gesprekken die vaak als volgt verlopen:
“Maar een robot kan zich niet inleven in een ander!”
“So what, de mens is ook niet zo empathisch als we vaak denken.”
“Maar een robot kan niet zelfstandig nadenken!”
“So what, mensen zijn ook slaven van chemische stofjes in hun brein.”
“Maar een robot kan niets nieuws bedenken!”
“So what, mensen bedenken ook zelden iets origineels.”
“Maar een robot kan niets maken buiten de patronen in haar trainingsdata!”
“So what, mensen zijn ook voorgeprogrammeerd door ervaringen uit het verleden.”
Het heeft iets stoers om te zeggen dat we niet unieker zijn dan een robot. Het laat zien dat we boven onze gekrenkte mensen-ego’s kunnen uitstijgen en niet bang zijn om van ons voetstuk te vallen. Want door de geschiedenis heen is dat al meermaals gebeurd. Met de uitvinding van de telescoop bleken we niet het centrum van het universum te zijn, met de opkomst van de evolutiebiologie bleken we geen creaties van God te zijn en nu zijn er de robots die ons van onze troon stoten.
Het lijkt misschien bescheiden om te roepen dat de mens niet zo bijzonder is, maar de aanname dat we onze menselijke capaciteiten kunnen herscheppen in een robot is juist het summum van menselijke arrogantie. Het veronderstelt dat we in staat zijn om onszelf zo goed te kennen, doorgronden en begrijpen, dat we onszelf kunnen nabouwen en overstijgen in een robot met kunstmatige intelligentie.
In werkelijkheid kunnen we de mens niet volledig ontleden en omzetten in kennis. Dat maakt haar ook zo aantrekkelijk. De onmogelijkheid om een ander mens volledig te kennen maakt dat we een leven lang kunnen doorgaan met kennismaken. Door met elkaar te communiceren maken we onszelf kenbaar, maar dat kan nooit een totaalweergave zijn. Want met onze woorden, cijfers en ratio kunnen we slechts in beperkte mate uitdrukking geven aan onze ervaringen, gevoelens en gedachten.
Die afstand—de afstand tussen wat in taal past en wat zich allemaal in onze hoofden en harten afspeelt—zou een onuitputtelijke bron van nieuwsgierigheid naar elkaar kunnen creëren. Maar in plaats daarvan lijken we nieuwsgieriger te zijn naar de robot. Kan hij al alle trucjes die wij ook kunnen? En als hij straks alle trucjes kan, maakt het dan nog uit dat het geen echt mens is? En als ik een relatie wil met zo’n "mensachtige" robot, word ik dan uitgelachen door mijn vrienden? En honderd andere hippe vragen waar we druk mee bezig zijn.
Madness of our times
Volgens Joseph Weizenbaum, een computerwetenschapper met verstand van zowel machines als mensen, laat dit type vragen zien hoe erg we als mensheid de weg kwijt zijn. In zijn tijdloze boek “Computer Power and Human Reason – From Judgment to Calculation“, schrijft hij:
“What could be more obvious than the fact that, whatever intelligence a computer can muster, however it may be acquired, it must always and necessarily be absolutely alien to any and all authentic human concerns. The very asking of the question “what does a judge or a psychiatrist know what we cannot tell a computer?” is a monstrous obscenity. That it has to be put into print at all, even the for the purpose of exposing its morbidity, is a sign of the madness of our times.“
Die madness begon voor Weizenbaum al in 1966, toen hij zijn chatbot Eliza ontwikkelde. Het chatprogramma was bedoeld als ludiek speeltje, maar werd ontvangen als een alwetend orakel. Mensen waren er niet achter weg te slaan. Ook wanneer hij uitlegde hoe Eliza werkte en dat er geen bewustzijn bij komt kijken, bleven mensen hun hart bij de digitale praatpaal uitstorten. Want de chatbot begreep hen écht! Het ging zelfs zo ver dat psychologen voorstelden om het werk dat ze zelf niet konden doen door Eliza te laten doen.
Weizenbaum was verbijsterd. Hoe konden mensen zich zo makkelijk voor de gek laten houden door een computer? Teleurgesteld zag hij aan hoe de computermetafoor – het beeld dat mensen en computers niet zoveel van elkaar verschillen – steeds vanzelfsprekender werd.
Inmiddels zijn we zestig jaar verder en zitten we nog steeds vast in die computermetafoor. Wetenschappers moeten nog steeds uitleggen dat het menselijk brein geen computer is. En dat een computermodel dat iets nabootst, niet opeens tot leven kan komen en hetgeen kan worden wat het nabootst. Dat het simuleren van empathie niet hetzelfde is als het hebben van empathie, en dat het imiteren van mensachtige taal iets heel anders is dan begrip en betekenisgeving. Blijkbaar leven we nog steeds met de obsceniteit dat we woorden moeten geven aan iets wat intuïtief vanzelfsprekend had moeten zijn, namelijk het feit dat we geen robots zijn en dat het verschil belangrijk is.
Want robots worden gebouwd en niet geboren. Ze zijn niet afhankelijk van de liefde van een ander mens, doen geen levenservaring op in de fysieke wereld, hebben geen persoonlijke geschiedenis, geen lichaam, geen zintuigen, geen angsten, geen verlangens, geen dromen, geen bewuste of onbewuste drijfveren, geen emotionele binnenwereld, en ze ontwikkelen geen culturele waarden en idealen.
Desondanks krijg ik wel eens te horen: “Maar Siri, mensen zijn ook maar simpele machines, ze zijn helemaal niet die gelaagde, complexe wezens waar jij het over hebt”. Of nog erger, zodra je woorden geeft aan de gelaagdheid van de mens volgt een denigrerende sneer “zozo, diep allemaal hoor”.
Die reactie is begrijpelijk. Een groot deel van de tijd gedragen mensen zich immers ook als simpele machines. Omdat de systemen en maatschappelijke structuren waarin we leven dat van ons vragen, of omdat we het vaak makkelijker vinden om te leven volgens vaste routines, geconditioneerde reacties, stroomschema’s, scripts en kopieergedrag.
Daarbij zijn mensen wezens die zich voortdurend aanpassen aan hun omgeving, en als die omgeving voornamelijk uit computermodellen bestaat, passen we ons gedrag aan die modellen aan. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat mensen het taalgebruik van LLM’s overnemen, waardoor taaldiversiteit afneemt en daarmee ook diversiteit in denken. Kortom: wij schuiven steeds meer op naar de machine in plaats van andersom. Maar het feit dat mensen zich als simpele machines kunnen gedragen, wil natuurlijk niet zeggen dat ze ook simpele machines zijn. Een klassieke fout die keer op keer wordt gemaakt is dat wat mensen doen wordt verward met wat mensen zijn.
We kunnen de komende zestig jaar opnieuw gaan uitleggen waarom mensen geen machines zijn en vice versa, maar het zal net als in de tijd van Weizenbaum weinig indruk maken. Want wat er pas echt toe doet, is welke waarheid mensen graag willen geloven. Net als bij klimaatverandering doen wetenschappelijke feiten en filosofische argumenten er vaak helemaal niet toe. Het gaat erom welk wereldbeeld en welke waarheid ons het makkelijkst uitkomt.
Weglopen voor ons mens-zijn
Dat mensen en computers niet zoveel van elkaar zouden verschillen is een makkelijk wereldbeeld. Niet alleen omdat het nobel overkomt om jezelf niet specialer te vinden dan een robot en we dus sociale status aan dat wereldbeeld kunnen ontlenen, maar ook omdat het veel eenvoudiger is om een machine te zijn.
Als machine hoef je geen individu te zijn. Je hoeft niet na te denken, geen keuzes te maken, geen verantwoordelijkheid voor die keuzes te dragen, en je hoeft geen eigen smaak en persoonlijkheid te ontwikkelen in interactie met andere grillige menswezens om je heen. Je hoeft niet te worden wie je bent of de lasten van je eigen verlangens te dragen. Het enige wat je hoeft te doen, is rekenen en calculaties opvolgen. Hoe chill. Maar vooral ook: hoe doods.
Want op die manier lopen we weg voor ons mens-zijn. Dat is niet nieuw maar doen we al eeuwenlang. Vroeger lieten we ons mens-zijn volledig bepalen door een hogere religieuze of spirituele macht en nu laten we dat doen door technologie. Al decennialang zetten we digitale technologie en een mechanistisch mensbeeld in om te ontsnappen aan de lasten van het mens-zijn.
Volgens de bekende filosoof Friedrich Nietzsche is de grootste last waar mensen aan willen ontsnappen de last van onze eigen onbepaaldheid. Hij noemt de mens een “onbepaald dier”: een wezen dat nooit helemaal af is waardoor we niet volledig kunnen definiëren wie of wat de mens nou precies is. Maar omdat we bang worden van alles wat we niet goed kunnen definiëren, vastpinnen en controleren, doen we er alles aan om onszelf via technologie definieerbaar te maken. We willen net zo zijn als een machine: verlangensloos, bepaald en controleerbaar.
In plaats te willen ontsnappen aan onze menselijke onbepaaldheid met behulp van technologie, zouden we er beter aan doen om die onbepaaldheid te vieren. Want wanneer we vastpinnen wat de mens precies is om haar na te kunnen bouwen in een machine, zetten we onszelf vast in de tijd en sterven onze menselijke ontwikkeling en open toekomst af. Of zoals auteur Philip K. Dick het zo treffend verwoordde in zijn essay “The Android and The Human“:
“They admired the feathers and forgot the dying bird, and it is the dying bird that I am concerned with.”
Het ontkennen van onze menselijke complexiteit is geen teken van bescheidenheid, maar eerder een teken van blindheid. Onze menselijke onbepaaldheid, hoe lastig die ook kan zijn, biedt juist mogelijkheden en vrijheid. Het geeft ons de ruimte om altijd in verandering te kunnen zijn en te leven met een rijke diversiteit aan culturele opvattingen over wat het betekent om mens te zijn. Dat is geen last, maar een zegen.
***
Dit artikel is geschreven naar aanleiding van het proefschrift van Siri Beerends. Binnenkort promoveert zij aan de Universiteit Twente op kunstmatige intelligentie, authenticiteit en het opschuiven van de mens naar de machine.